Faalangst

Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong zijn gemakkelijker vatbaar voor faalangst. Faalangst wordt vaak geassocieerd met oudere kinderen, maar ook jongere kinderen kunnen leiden onder faalangst. Dit wordt bijvoorbeeld zichtbaar als kinderen:

  • Geen nieuwe dingen proberen
  • Snel opgeven
  • Niet beginnen als er een opdracht wordt gegeven
  • Extreem angstig zijn voor nieuwe situaties
  • Altijd dezelfde dingen blijven herhalen (een spel, een bepaalde puzzel, een beweging)
  • Frustratie laten zien in vertrouwde omgeving

Faalangst ontstaat door verschillende omstandigheden. Gebrek aan goede hechting in de eerste jaren van een baby kan leiden tot een verkeerd zelfbeeld, het niet passen in de groep, in de gaten hebben dat je anders bent dan de andere kinderen maar niet weten waarom, kunnen oorzaken zijn van latere faalangst. Als de kinderen ouder zijn, leidt het beoordelen van kinderen in een situatie en het zelf beoordelen van situaties tot de vrees te falen. Een belangrijk aspect daarbij is het al dan niet hebben van zelfvertrouwen: het hebben van vertrouwen in jezelf.

Vertrouwen in jezelf opbouwen, start al als je nog maar in de wieg ligt. Een baby die huilt, zal het prettig vinden als er naar hem geluisterd wordt, als hij opgepakt wordt. Het geeft hem eerst vertrouwen in de wereld om hem heen. Wordt het kind ouder, dan zal hij steeds meer zelf doen. Hoe beter wij het kind daarbij ondersteunen, hoe meer vertrouwen we hem geven dat hij al die dingen gewoon kan, des te groter zal zijn vertrouwen zijn. In dat proces lopen kinderen tegen problemen aan: ze maken fouten, doen zich pijn, of moeten vaak oefenen voordat iets lukt. Dat is niet erg, daar leer je van. Kinderen die nooit hoeven te oefenen, omdat ze op een andere manier leren –namelijk door eerst na te denken hoe je iets doet, hoe je iets bereikt- is het schrikken als je een keer iets niet in een keer kunt. Er ontstaat onzekerheid, daar waar je eigenlijk altijd zo zeker was over jezelf. De dingen die je deed kon je vaak meteen de eerste keer. Gebeurt dit meer dan eens dan zal faalangst ontstaan.

Niet alleen het wel of niet kunnen van iets kan leiden tot faalangst. Je zelfbeeld bouw je niet alleen op door de dingen die je wel of niet kunt, ook je omgeving is van belang. Herken je jezelf voldoende in de mensen in je omgeving? Zolang kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong in de thuisomgeving zijn (en zolang die thuisomgeving voldoende steun en vertrouwen biedt), ontstaan er nog niet zo snel problemen. Veel kinderen gaan al jong naar een kinderopvang of peuterspeelzaal. Als daar niet voldoende andere kinderen zijn waar het kind zich mee kan vergelijken, zich in kan herkennen, dan zal het zich niet alleen eenzaam voelen, maar ook nog eens zichzelf totaal niet herkennen in de kinderen in hun omgeving. Ze hebben het gevoel dat ze verplicht worden met baby’s te spelen, terwijl het kinderen zijn van hun eigen leeftijd. Dat doet iets met je zelfbeeld. Zo’n slim ding snapt ook zelf nog wel, dat als er zoveel kinderen zijn die zich ongeveer hetzelfde gedragen, zij de uitzondering zijn. Maar wat er dan aan de hand is, dat is ook voor hen een raadsel… Alleen ligt dit wel aan de basis van een zwak zelfbeeld.

Kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong ontwikkelen eerder een ik-beeld dan kinderen van hun leeftijd. Doordat ze dit al jong ontwikkelen, zien ze ook al snel verschil tussen henzelf en anderen en tussen de dingen die zij al wel kunnen en de anderen kinderen nog niet. Ze gaan zich aanpassen of ze gaan zich afzetten tegen alles en iedereen. In beide gevallen roept het kind om hulp. Doordat ze zich willen aanpassen, verliezen ze steeds meer hun eigenheid. De dingen die ze kunnen, doen ze niet langer omdat het ‘niet hoort’. Hoe minder je jezelf kunt zijn, hoe negatiever je zelfbeeld wordt. Dit roept ‘zorggedachten’ op. Dat zijn gedachten die negatieve ideeën over jezelf, over je gedachten of over je gedragingen bevestigen. ‘Ik ben anders en dat is niet goed, ik ben niet goed. Zie je wel, ik ben anders dan de andere kinderen en ik krijg signalen dat dat niet goed is van mijn omgeving’ Ook dit heeft direct effect op je zelfbeeld en op je prestaties. Men denkt dat juist die gedachten er verantwoordelijk voor zijn, dat kinderen minder gaan presteren dan ze zouden kunnen. En ook dat heeft opnieuw zijn weerslag op het zelfbeeld. Daar waar het kind eerst eigenlijk alle dingen die het tot dan toe heeft gedaan kon het meteen goed kon, lukken nu dingen niet meer. Het kind schrikt hiervan en besluit dat het misschien toch niet zo slim is als het dacht. De basis voor faalangst is geboren.

Als laatste maar zeker niet als onbelangrijkste aspect van faalangst leggen kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong de lat voor zichzelf vaak hoog. Wat ze ook doen, het is niet snel goed. Het moet altijd beter. Als ze iets maken ziet het er niet uit zoals ze het in hun hoofd hadden, zoals het er in het echt uitziet of zoals ze denken dat anderen verwachten. Faalangst ligt hier op de loer. Het feit dat ze iets niet kunnen ervaren ze niet als een moment om iets nieuws te leren, maar als eindstation.  Voor hen is het niet meer dan logisch dat ze dingen in één keer kunnen. Dat zijn ze gewend, en het is een schok als ze iets niet kunnen.

Door de kinderen al jong te herkennen, te erkennen en hen een omgeving te bieden waar ze kunnen ontwikkelen naar wie en hoe ze zijn kan faalangst voor een groot deel voorkomen worden. Daarnaast speelt bij het voorkomen van faalangst mindset een belangrijke rol. Wil je meer lezen over mindset, kijk dan bij de tab mindset.

Advertenties