Ontwikkelingsvoorsprong

“Er was eens een meisje dat vleugels kreeg, die groeiden uit haar schouderbladen. De buren spraken de ouders er op aan, dat ze die vleugels moesten afknippen, maar de ouders reageerden verbaasd en weigerden. Een poosje later zeiden de buren: “Als je ze dan niet wil afknippen, laat ze dan tenminste kortwieken”. Weer weigerden de ouders en gingen de buren onverrichter zake naar huis. Nog enige tijd later kwamen de buren er weer op terug: “Wat doe je het kind aan?” De ouders zeiden: “We leren haar vliegen”

Auteur: Chris ‘t Mannetje

Kleuters en peuters ontwikkelen zich allemaal in sprongen. Het ene moment gaat alle aandacht uit naar het leren van getallen en wordt alles geteld wat het kind ziet en het volgende moment houdt hij of zij zich voornamelijk bezig met puzzelen. Elke ouder en onderwijsprofessional zal deze sprongsgewijze ontwikkeling herkennen.

In een kleuterklas zijn sommige kinderen al bezig met letters en lezen en vallen daarin op om vervolgens door overige leeftijdsgenootjes ingehaald te worden en weer op hetzelfde niveau te functioneren.

We spreken dan over een sprongsgewijze ontwikkeling of niet-lineaire ontwikkeling.

De term ontwikkelingsvoorsprong wordt echter in de regel gebruikt voor kinderen, die zeer waarschijnlijk hoogbegaafd zijn (hoogbegaafdheid kan pas vastgesteld worden vanaf 6 jaar); de kinderen waarbij de voorsprong ten opzichte van leeftijdsgenoten blijvend is en dit leidt vaak tot verwarring.

Hou kun je deze kinderen met een blijvende ontwikkelingsvoorsprong en dus een zeer waarschijnlijke hoogbegaafdheid dan herkennen in de kleuterklas? En ze onderscheiden van de rest?

Natuurlijk zijn er in de eerste plaats, de kleuters die al kunnen lezen als ze op de eerste schooldag binnen komen of binnen no-time kunnen lezen. Deze kinderen vallen sowieso al op. Maar er zijn nog meer kenmerken op het gebied van taal waaraan je waarschijnlijk hoogbegaafde kinderen kunt herkennen: Ze hebben al een goede zinsopbouw en een grote en gevarieerde woordenschat. Ze zijn al goed in staat om zich verbaal uit te drukken. Ze begrijpen vaak als enige al woordgrapjes, maar ze kunnen dingen ook heel letterlijk nemen, zoals spreekwoorden en gezegden.

Ook met cijfers kunnen deze kleuters al veel meer bezig zijn. Ze kunnen al heel veel verder tellen, sprongsgewijs tellen of maken al ‘sommetjes’.

Daarnaast beleven ze de wereld intenser en hebben vaak een tomeloze energie. Ze gaan maar door. Zowel met vragen en praten, maar soms ook met bewegen. Ouders zeggen vaak: “Er zit geen uitknop op.” Maar ze kunnen ook heel ongeïnteresseerd lijken tijdens bijvoorbeeld het kringgesprek. Draaien en wiebelen, van hun stoel vallen, maar bij navraag blijken ze alles feilloos gehoord te hebben.

Deze energie komt ook tot uiting in hun geweldige honger naar kennis. Ze kunnen een enorme belangstelling hebben voor onderwerpen als de prehistorie, de ruimte, techniek, elektronica, de dierenwereld. Vaak zijn ze dan ook helemaal gefocust op dat ene onderwerp (hyperfocus); alles draait die periode om dinosaurussen of om auto’s en automerken en als ze hierin verzadigd zijn, stappen ze over op het volgende onderwerp of de volgende interesse. Al veel jonger dan andere kinderen drijven zij hun ouders tot wanhoop met hun ‘waarom’-vragen over alles wat ze zien en horen. Opgedane indrukken moeten vervolgens een plaats krijgen in hun hoofd, waarna ze er nog dagen op terugkomen. Veelal door het eindeloos verbaliseren van alles wat het gezien hebben.

Niet alleen op opgedane indrukken komen ze terug, maar ook op gedane beloften en afspraken en dat kan, door hun ijzersterke geheugen, zelfs nog maanden later zijn. Afspraken of beloftes die de leerkracht of ouder allang weer vergeten is. Dit kan leiden tot conflicten tussen leerkracht en kind. Een hoogbegaafd kind heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel. De gemaakte beloftes zijn erg belangrijk en als deze verbroken worden zonder goede reden, leidt dat tot veel discussie en gezeur.

Het zijn kleine filosofen in de dop. Ze denken al na over de dood en het leven. Wat er gebeurd als je dood gaat of hoe het leven is ontstaan. Maar ook over rampen, arme mensen en zieke mensen wordt nagedacht. En omdat ze tevens over een groot inlevend vermogen beschikken, worden ze hier vaak verdrietig van (hypergevoeligheid). Ze zien sneller gevaar, zijn vaak banger en ongeruster dan andere kinderen. Ze zijn zich er sterk van bewust wat er zou kunnen gebeuren. Dit kan leiden tot allerlei, soms irreële of onbegrijpelijke, angsten. Een hypergevoelig kind maakt ook al snel van een mug een olifant of neemt een kleine afwijzing als heel zwaar op.

Let op dat deze hypergevoeligheid niet verward wordt met ‘jonger’ of  ‘ouder’ zijn op sociaal-emotioneel vlak. Het is gewoon anders.

Kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong kunnen, zeker met zelfgekozen onderwerpen, heel taakgericht en geconcentreerd aan de slag gaan. Ze houden van taken die uitdaging bieden en bloeien dan helemaal op. Maar let op! Deze kinderen leggen voor zichzelf ook de lat hoog. Als een leerkracht de opdracht geeft: “teken een appel.” Dan moet deze appel in hun ogen ook precies lijken op een appel. En als dat dan niet lukt, dan levert dat een hoop frustratie op. Ze bekrassen of verscheuren hun tekening of ze gaan dit soort werkjes vermijden. In jouw ogen als leerkracht was het waarschijnlijk een prima appel – net zoals die van de andere kleuters – maar voor dit kind niet.

Ook kan het zijn dat ze te moeilijk denken over de opdracht, die je hen geeft. Bij de opdracht teken een bloem, kan de kleuter denken: “Welke bloem? Een roos, een tulp, een viooltje?” De kleuter kan niet aan zijn/haar werkje beginnen, omdat hij/zij niet weet wat de juf precies bedoelt en ze willen het goed doen.

Spelen met klasgenootjes kan nogal eens wat problemen opleveren. De pientere kleuter is verder dan leeftijdsgenootjes en spel, fantasie, interesse en taal. Dit leidt tot onbegrip tijdens het spelen en tot grote frustraties! Stel je voor, je hebt een heel spel uitgedacht om te spelen en wil dat samen met je vriendjes en vriendinnetjes gaan doen, maar ze snappen er niks van. Ze begrijpen je uitleg niet, de woorden die je gebruikt en vinden dan ook nog eens dat jij de baas speelt. Ruzie en frustraties zijn het gevolg. Dit is een voorbeeld van de pientere bazige en aanwezige kleuter. Maar kijk ook eens naar de kleuters, die juist moeilijk aansluiting vinden, omdat ze stiller zijn en zich terugtrekken in de klas of op het schoolplein. De kleuter, die in jouw ogen een eenzame indruk maakt. Of die kleuter die altijd bij de leerkracht staat om te vertellen wat ze gemaakt hebben, uitgevonden hebben of gezien/gelezen hebben. Deze kleuters hebben vaak geen ontwikkelingsgelijken in de klas of ze nog niet gevonden. Kijk eens goed naar de kinderen in je klas en probeer (als ze er zijn) de ontwikkelingsgelijken bij elkaar in een groepje te plaatsen. Geef deze pientere kleuters “peers” waar ze samen mee op ontdekking kunnen gaan.

Haaks hierop staat dat deze kleuters al een enorme aanpassingsvermogen kunnen laten zien. Ook in dit opzicht kunnen ze een ontwikkelingsvoorsprong hebben op hun klasgenootjes. Het grote aanpassingsvermogen aan de groep is daar een goed voorbeeld van. Helaas kan dat aanpassingsvermogen zowel positief als negatief tot uiting komen. Als het kind in de klas waarneemt dat de manier om een probleem op te lossen een mep is, kan dit overgenomen worden. Heel bekend is in dit geval het volgende voorbeeld van de peuter op de peuterspeelzaal, wat ook voor een pientere kleuter kan gelden:

Een peuter zit naast een ander kind en vraagt: ‘Mag ik van jou dat rode autootje.’ Hij krijgt van het andere kind een geel autootje. ‘Nee, mag ik het rode autootje.’ Het andere kind kijkt om zich heen en pakt lukraak een blauwe auto. Dat is het moment waarop de peuter met de ontwikkelingsvoorsprong in de gaten heeft dat hij er verbaal niet komt. Het kind kijkt om zich heen en ziet hoe andere kinderen de zaken fysiek oplossen. Het past zich aan, geeft zijn buurman een mep en ontvangt als beloning het resterende rode autootje.

En dan komt de volwassene in beeld, in dit geval de juf, die zegt dat er niet geslagen mag worden en dit sociaal onaangepast gedrag noemt. Op de basisschool wordt dan vaak gezegd dat het kind nog jong is in zijn/haar gedrag terwijl vaak juist het tegengestelde het geval is.

Niet alleen in gedrag kan een kleuter met een ontwikkelingsvoorsprong zich aanpassen, maar ook werkjes en tekeningen worden vaak van klasgenootjes gekopieerd. Thuis maakt de slimme kleuter bijvoorbeeld al gedetailleerde menstekeningen, totdat hij/zij op school komt en ziet dat andere kleuters dat nog helemaal niet doen en blijkbaar vindt de juf of meester het nog goed ook! Gevolg ook deze kleuter gaat weer kop-voeters tekenen, want dat is op school de norm en dat is wat er van me verwacht wordt.