Testen

KPC Fouten kleinWaarom testen?

Wanneer is het belangrijk om vast te (laten) stellen dat een kind een ontwikkelingsvoorsprong heeft? Als een kind zich goed ontwikkelt, als de omgeving de voorsprong herkent en erkent en daar passende maatregelen voor neemt, is het in de meeste gevallen niet nodig om een kind te testen. In andere gevallen kan het echter wel raadzaam zijn om te testen, bijvoorbeeld

–       als er problemen ontstaan waarvan niet duidelijk is waar deze door veroorzaakt worden

–       als ouders en groepleidsters/leerkrachten een verschil van mening hebben

–       als onduidelijk is hoe groot de voorsprong is

–       als vervroegde instroom op school of een school met specifieke toelatingseisen overwogen wordt

–       om een verklaring te bieden voor de emotionele of gedragsproblemen

Wanneer testen?

Een IQ test op jonge leeftijd is minder betrouwbaar dan op latere leeftijd. De test is vaak meer afhankelijk van het moment, kinderen ontwikkelen zich in sprongen en het gedrag van jonge kinderen kan nog sterk wisselen van dag tot dag. Dat neemt niet weg dat ook op jonge leeftijd het IQ gemeten kan worden. En een kind dat als 3- of 4- jarige 140 scoort op een test, zal later geen gemiddelde leerling worden. Als het dus noodzakelijk is om te testen, hoeft er niet gewacht te worden tot het kind ouder is. Een uitzondering kan zijn als het kind bijna 6 is; als de tester ervoor kiest de WISC af te nemen, kan men beter wachten tot het kind ook de leeftijd heeft waarop er goede normen beschikbaar zijn. Als er geen noodzaak is om te testen (zie boven), is het aan te raden te wachten tot het kind de leeftijd van 7 of 8 heeft bereikt alvorens te testen.

Welke test?

Er bestaan veel verschillende IQ tests. De meest betrouwbare en meest gebruikte tests in Nederland zijn de WISC-III-NL, de WPPSI-III-NL en de RAKIT-2.

De WISC-III-NL is een intelligentietest voor kinderen van 6 tot en met 17 jaar en een bewerking van de Engelstalige versie. De test bestaat uit verschillende onderdelen, die samen een schatting geven van het totale IQ, het verbale en het performale IQ. De verbale taken doen vooral een beroep op kennis en informatie die het kind gedurende zijn leven heeft verworden en zijn/haar vermogen tot verbaal redeneren. De performale taken meten probleemoplossend vermogen, ruimtelijk inzicht en visueel-motorische vaardigheid. Hierbij dient opgemerkt te worden dat tijdsfactor bij deze taken een grote rol speelt. Kinderen die snel afgeleid zijn, associatief denken en/of erg perfectionistisch of faalangstig zijn, kunnen hierdoor benadeeld worden. Heeft het kind een visuele voorkeur voor leren en denken ipv auditief dan kan deze test ook nadelig werken. Rakit-2 is dan een betere keuze.

De WPPSI-III-NL is een intelligentietest voor kinderen van 2 jaar en 6 maanden tot en met 7 jaar en 11 maanden (2;6- 7;11). Deze test lijkt erg op de WISC-III-NL. Als het kind 6 of 7 is, verdient de WISC de voorkeur, omdat er op de WPPSI snel een plafondeffect optreedt en de test niet meer goed differentieert in de hoogste IQ-ranges.

De RAKIT-2 is een herziening van de RAKIT, een geheel in Nederland ontwikkelde kinderintelligentietest. De test is geschikt voor de gehele basisschoolleeftijd (4;0-12;6). Ook deze test bestaat uit een aantal verschillende onderdelen die samen informatie geven over het totaal IQ, maar ook  een Perceptuele Redeneerfactor, een Verbale Leerfactor, een Ruimtelijke Oriëntatie factor en een Verbale Vlotheidsfactor. Tijdsdruk speelt bij deze test een minder grote rol dan bij de WISC, en heeft ook taken waarbij associatief denken en creativiteit positief gewaardeerd worden.

Welke tester?

Psychologen en orthopedagogen mogen IQ tests afnemen. Het is echter verstandig te zoeken naar een professional die ervaring heeft met het testen van kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong. De specifieke behoeften van het kind zijn natuurlijk ook in een testsituatie aanwezig. Zo vragen deze kinderen om een ander aanspreekniveau (“ik ben toch zeker geen kleuter!”), moet de tester alert zijn op signalen van faalangst/perfectionisme en onderpresteren en doorvragen als het vermoeden bestaat dat het kind het antwoord wel weet maar niet geeft. Bij deze doelgroep komt het meer dan gemiddeld voor dat een kind bij zowel makkelijke als juist moeilijke items vermijdingsgedrag vertoont of zegt dat hij het antwoord niet weet. Een goede aanpak kan dit voorkomen.

Ook als er het vermoeden bestaat van een leer- of gedragsproblemen, is het belangrijk te zoeken naar een psycholoog/orthopedagoog die ervaring heeft hiermee  (of met de combinatie met begaafheid) en de leeftijdsgroep.

Vraag altijd of de tester verstand heeft van hoogbegaafdheid, en vraag hem/haar dan ook waarom het belangrijk is een tester te kiezen die daar verstand van heeft. Vertrouw jij je kind toe aan iemand die daar geen antwoord op kan geven?

Voorbeelden testvragen

Plaatje van een beer waarbij deel van het plaatje ontbreekt. Tester vraagt: wat is dit? Kind denkt: de tester ziet natuurlijk zelf ook een beer, dus dat kan het antwoord niet zijn, wat zou hij dan willen horen? Moet ik misschien zeggen wat voor soort beer het is? Het lijkt een ijsbeer, maar misschien is het toch wel een bruine beer, ik kan dat eigenlijk niet goed zien op deze tekening. Het kind zegt: weet ik niet (terwijl het antwoord ‘beer’ goed zou zijn geweest).

Vraag: wat doet de maag? Kind denkt: er was iets met maagzuur, maar hoe zat dat ook alweer precies. Waar komt het eten vandaan, en waar gaat het ook al weer naar toe als het uit de maag komt. Ik weet dat niet meer. Kind zegt: weet ik niet. (terwijl het antwoord: “eten verteren” al goed geweest was).