Signaleren in het onderwijs

Het onderwijs in Nederland zet zich in om kinderen met achterstanden te helpen, we zijn daar goed in geworden. Lang hebben we gedacht dat slimme kinderen er vanzelf wel komen, tot we ontdekten dat zij minder dan gemiddeld profiteren van onze huidige aanpak. Actueel zijn we nu meer aandacht gaan besteden aan kinderen die meer uitdagingen nodig hebben. Uiteraard is het dan nodig te weten welke kinderen in de groep dat zijn, dus moeten we ze kunnen signaleren. Dat is nog niet zo simpel.

  • Wordt de doelgroep kinderen  met IQ boven 130, of gaat het om meer kinderen?
  • Gedurende de basisschool wordt 60% van de hoogbegaafde kinderen gesignaleerd, de rest dus niet.
  • In de onderbouw wordt maar ongeveer 20% gezien.
  • Met welk doel gaan we signaleren, wat willen we gaan doen met die gegevens?
  • Op welk moment gaat dat spelen, als we merken dat kinderen zich vervelen?
  • Jonge kinderen met voorsprong, moeten we die niet juist laten spelen?

Uit onderzoeken en praktijkervaringen is er wel een en ander duidelijk geworden.  Hoogbegaafdheid begint veelal met een ontwikkelingsvoorsprong, waarbij zij zich al in de baby- en peuterperiode sneller en anders ontwikkelen.  Door gedetailleerd waarnemen, een snelle taalontwikkeling en complexer denken ontwikkelen zij al vroeg eigen ideeën, andere interesses en maken ervaringen diepe indruk. In contacten met leeftijdgenootjes in hun omgeving ontwikkelen zij aanpassingen die niet altijd even positief en efficiënt uitpakken. Sommige kinderen proberen tevergeefs precies hetzelfde te zijn en laten daarmee weinig meer zien van zichzelf en mogelijke potenties.

Daarom kunnen we bij het vormgeven van passend aanbod ons niet beperken tot de kinderen met IQ boven 130. Kinderen die zichtbaar meer aankunnen en de uitdagingen die we hen bieden met beide handen aangrijpen hebben inderdaad niet zoveel begeleiding nodig. Signalering richt zich daarnaast dan ook nadrukkelijk op kinderen die het aanbod niet oppakken, waarvan we denken dat ze meer aankunnen dan ze laten zien.

Inmiddels is voor experts duidelijk dat afstemmen op voorsprong nodig is, vanaf de eerste schooldag. En om te voorkomen dat kinderen hun gedrag hebben aangepast is ook in de voorschoolse periode signalering en afgestemde begeleiding gewenst. Dat vraagt dus iets anders dan een IQ test of een onderzoek naar hoogbegaafdheid. Hiervoor is meer kennis nodig bij ouders èn professionals over de signalen en hoe beter afstemmen er uit ziet. Als ook kinderopvang en peuterzalen signaleren en overdragen, kan de basisschool op basis van dergelijke gegevens het aanbod vanaf de eerste schooldag afstemmen. Duidelijk is inmiddels dat een ontwikkelingsvoorsprong en een mogelijke hoogbegaafdheid zo vroeg mogelijk gesignaleerd wordt en dat leerkrachten er snel en adequaat mee aan de slag gaan. Hierdoor kunnen veel problemen voorkomen worden.

Hoe werkt dit in de praktijk?

In de praktijk zijn er 2 signaleringsmomenten: de eerste schooldag en de periode daarvoor en als het kind al wat langer op school zit.

Het eerste signaleringsmoment:

Dit is het beste moment om de kleuter te observeren, het overdrachtsdocument van de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf er op na te slaan (mocht deze aanwezig zijn) en een gesprek aan te gaan met de ouders. Met het aanpassingsvermogen van hoogbegaafde kinderen in het achterhoofd, kan dit ‘intakegesprek’ het beste plaats vinden voor de 1e schooldag van de nieuwe leerling. Zij kunnen de leerkracht informeren over het karakter van het kind en de interesses. Een vragenlijst kan hierbij een goed hulpmiddel zijn. De leerkracht wordt door de ouders geïnformeerd over de (voorschoolse) ontwikkeling van hun kind op de verschillende ontwikkelingsgebieden en over de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind op dat moment. Het is belangrijk dat de leerkracht samen met de ouders tijdens een gesprek deze vragenlijst invult, omdat er dan ook meteen doorgevraagd kan worden op de antwoorden van de leerkracht. Dit levert dan weer een schat aan informatie op. Niet alleen over een mogelijke ontwikkelingsvoorsprong, maar ook over een mogelijke achterstand.

Andere tools voor scholen zijn het observeringslijsten als het SiDi R protocol en het Digitaal Handelingsprotocol Hoogbegaafdheid, observatie in de klas d.m.v. activiteiten en toetsing. Dit kan bijvoorbeeld zijn door het afnemen van Cito-toetsen, zoals de ordeningstoets en de begrippentoets. Let op dat toetsing niet alleen de enige vorm van signalering is. Een kind kan de toets slecht maken doordat hij/zij te moeilijk denkt of omdat de wijze van toetsen het kind niet ligt.

Het tweede signaleringsmoment:

Een tweede moment van signalering vindt plaats als het kind al op school zit. In deze signaleringsfase is het doel om in korte tijd duidelijk te krijgen of een kind in aanmerking komt voor verder diagnostisch onderzoek. Hiervoor is het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens en het gebruik van zoveel mogelijk bronnen vereist, aangezien het kind al aan het aanpassen kan zijn en dus aan het onderpresteren. Hierbij moet je denken aan het leerlingvolgsysteem, (door) toetsen, observatielijsten, input van ouders, overdrachtsdocument van psz/kdv,  psychologisch onderzoek, schoolarts, etc.

Problemen bij gebrek aan signalering

Het is een misvatting dat kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong er wel komen, dat leren voor hun vanzelf gaat.

Net als iedereen willen kleuters er graag bij horen. Ook de kleuter met een ontwikkelingsvoorsprong en juist zij zijn het die zich helemaal kunnen aanpassen. Ze willen niet graag een uitzonderingspositie hebben en verbergen daarom hun talenten. Een bekend voorbeeld is het kind wat thuis al een gedetailleerde menstekening maakt en op school weer de ‘kopvoeter’ gaat tekenen. Kleuters passen zich niet alleen aan, omdat ze niet anders willen zijn, maar ook omdat ze denken dat het zo hoort op school. Ze conformeren zich aan de standaard in de klas. Aanpassingsgedrag wordt met name bij meisjes gesignaleerd. Dit komt door het karakter van meisjes. Ze zijn gericht op het hebben van sociale contacten en de school is daar de aangewezen plaats voor. De sociale contacten vinden plaats in een groep en daarom passen ze zich aan de groep. Het aanpassen van het gedrag waarbij de kleuter z’n talenten niet benut, noemen we onderpresteren.

In het leven van een (waarschijnlijk) hoogbegaafde kleuter zijn er 2 spanningsmomenten:

• Het moment dat de kleuter voor het eerst naar school gaat. De kleuter gaat vol verwachting naar school en komt er dan achter dat hij niet leert lezen, maar weer moet spelen.

• De overgang naar groep 3 en als blijkt dat het kind de daar aangeboden leerstof  al eigen heeft gemaakt.

Deze spanningen kunnen zich in allerlei vormen uiten bij het kind. Er kan sprake zijn van algehele ontevredenheid, clownesk gedrag, boze buien, extra aandacht vragen thuis, dwangmatig gedrag om controle te krijgen, faalangst, buikpijn, hoofdpijn, huilen en bedplassen

Op de lange termijn zal de kleuter zich of gaan aanpassen aan het groepsgemiddelde of een eerder ontstaan gedragsprobleem verder ontwikkelen en waarschijnlijk ook uiten. Het kind zal dan een probleem worden voor de leerkracht, want het begeleiden van de onderpresterende kleuter zal een tijd en energie vergende aangelegenheid worden. Het is een complex probleem.

Voorkomen is beter dan genezen.

Hyperactiviteit is ook anders uit te leggen dan vanuit ADHD