Home » Versnellen

Versnellen

Versnellen, ja of nee?

In Nederland staan we huiverig tegenover versnellen. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg is het motto. Keuzes hierover worden vaak niet op feiten gebaseerd. Ook Middelbare scholen staan erg huiverig tegenover versnellen. Zij hebben het idee dat de basisschool het ‘probleem’ doorschuift , omdat zij ‘het’ niet meer weten.

De meeste leraren blijken, volgens een onderzoek van Southern & Jones, Townsend & Patrick, nauwelijks op de hoogte zijn van bestaande literatuur over dit onderwerp. Struikelblok voor leerkrachten in het onderwijs is de angst voor isolatie van de leerling en emotionele problemen. Daarnaast wijst de praktijk uit dat er bij leerkrachten vaak weinig kennis voorhanden is over het feit dat niet elke leerling met hoge intelligentie capaciteiten ook goed presteert (door bijvoorbeeld motivatieproblemen of faalangst). Doordat scholen en leerkrachten te weinig kennis hebben over versnellen en er zo huiverig tegenover staan, voelen ouders zich weinig gesteund bij hun beslissing en staan ze zelfs vaak alleen in hun beslissing.

Van de leerlingen die meededen aan de Cito eindtoets in 2006 (145.742), waren van 144.274 leerlingen de gegevens over geboortedatum en geslacht bekend. Van deze groep waren 150 leerlingen 2 of meer keer versneld (d.w.z. 10 jaar of jonger op 1 oktober van dat jaar). Dat zijn 91 jongens en 59 meisjes oftewel 0,01% (cijfers: Leonieke Boogaard).

In Nederland is er al 2 keer onderzoek gedaan naar het versnellen van leerlingen en ook internationaal liggen er antwoorden uit langdurend onderzoek. In al deze onderzoeken is de uitkomst voor versnellen positief.

In 2003 verscheen er in Nederland via CBO/KUN en Drs Lianne Hoogeveen het onderzoeksrapport ’Jonge, versnelde leerlingen in het Voortgezet onderwijs: Hoe om te gaan met leerlingen die, door het versneld doorlopen van de basisschool, als (zeer) jonge leerling het voortgezet onderwijs binnen komen. In dit rapport worden de volgende vragen gesteld en beantwoord:
– Horen ze eigenlijk wel thuis op een middelbare school
– Lopen ze meer risico om problemen te krijgen binnen het voortgezet onderwijs
– Vragen zij om specifieke begeleiding?
– Hoe zou je deze leerlingen dan kunnen begeleiden

Het rapport is een aanrader voor leerkrachten uit het voortgezet onderwijs en voor ouders. Het biedt een leidraad en begeleiding en neemt de zorgen, die bij versnelling aanwezig zijn, daarmee weg.

Tijdens haar opleiding tot Specialist in Gifted Education (2008) deed Leonieke Boogaard onderzoek naar hoe het (extreem intelligente) leerlingen in het voortgezet onderwijs verging, nadat ze op de basisschool twee of drie keer versneld waren, zodat ouders die voor een zelfde moeilijke keus stonden wél informatie zouden hebben over de mogelijke gevolgen. Zes jaar na haar eerste onderzoek herhaalde ze haar onderzoeksvragen.

De gemiddelde leeftijd bij de start van het voortgezet onderwijs van haar onderzoeksgroep was 10 jaar en 4 maanden. De jongste was 9 jaar en 7 maanden, de oudste 10 jaar en 11 maanden. Om te mogen meedoen aan het onderzoek moesten ze op 1 oktober in de brugklas 10 jaar of jonger zijn.
De leeftijd van de ondervraagde leerlingen die meededen aan het onderzoek varieerde van 10 tot 18 jaar, d.w.z. zeggen van brugklas tot 1e-jaars student. De grootste groep kinderen zat in klas 3 en de groep daarna (evenveel kinderen) in klas 2 en 5.

Zowel de leerlingen uit haar onderzoek als hun ouders gaven aan dat in het voortgezet onderwijs de contacten met klasgenoten en het aantal vriendschappen meer en beter waren dan op de basisschool. De angst van veel docenten dat jonge leerlingen op sociaal gebied geen aansluiting zullen vinden, lijkt dus ongegrond. Dit komt ook naar voren uit het feit dat leerlingen én ouders aangeven dat er geen problemen zijn met de reacties van klasgenoten op zulke jonge medeleerlingen. Bovendien blijkt het merendeel van deze kinderen ook in hun vrije tijd, bij sport, muziek en andere buitenschoolse activiteiten voornamelijk met (veel) oudere kinderen en volwassenen om te gaan.

Uit een ander onderzoek (Silverman) blijkt dat duurzame vriendschappen gebaseerd zijn op wederzijdse interesses en waarden, dus niet op leeftijd en dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen een grotere sociale competentie hebben en eerder psychologisch volwassen zijn dan hun niet-begaafde leeftijdgenoten .

Sommige kinderen en ouders gaven in het onderzoek van Boogaard ongevraagd aan dat de versnellingen erg goed zijn geweest voor hun sociale leven: “Het heeft mijn sociale leven omhoog geschoten”, “Nu heb ik vrienden van gelijk niveau en gelijke ontwikkeling”, “Mijn dochter bloeide emotioneel op na de versnellingen”. Op cognitief gebied gaat het met alle jongeren redelijk tot goed, waarbij opvalt dat leerlingen op scholen die extra programma’s en/of begeleiding hebben voor hoogbegaafde leerlingen (meestal in de vorm van compacten en verrijken) betere resultaten halen dan leerlingen op scholen waar geen extra aandacht is voor deze groep. De angst van sommige docenten dat het te zwaar zou zijn voor zulke jonge leerlingen wordt weersproken door het feit dat de leerlingen op één na allemaal meerdere buitenschoolse activiteiten hebben. Ze sporten bijna allemaal en vaak op heel hoog (soms nationaal) niveau en tevens doet het merendeel aan muziek, dans of toneel.

Op de vraag aan leerlingen en ouders of ze met de huidige kennis achteraf wéér voor twee of drie keer versnellen zouden hebben gekozen, antwoordt het merendeel (ouders 81%, leerlingen 85%) volmondig ja. Niemand antwoordde nee! Degenen die geen ja zeiden, wisten het niet omdat er in hun ogen zowel voor- als nadelen waren. De meeste ouders geven aan dat je domweg geen andere keuze hebt als je wilt dat je kind gelukkig is. “Ze is er erg van opgeknapt, zag het leven niet meer zitten. Dat is na de tweede versnelling nooit meer voorgekomen”.

Zes jaar later werd de vragenlijst nogmaals voorgelegd.
Van de 27 leerlingen die Boogaard terugvond hebben er 22 gereageerd (14 meisjes en 8 jongens). Van hen studeerden er 17 aan de universiteit, deden er drie een tussenjaar en werkten er twee. Nog steeds deden ze gemiddeld 8 uur per week aan sport en de meesten werkten naast hun studie gemiddeld 9 uur per week. Op de herhaalde vraag of ze met de, inmiddels uitgebreide kennis achteraf, weer dezelfde keuze zouden maken antwoordde weer niemand met nee. Ja werd gezegd door 82%, een meer genuanceerd ‘weet ik niet’ door de rest. Sommigen hadden zelfs liever nog vaker versneld.

In 2013 werd het onderzoek ‘A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students – A Nation Deceived highlights disparities between the research on acceleration and the educational beliefs and practices that often run contrary to the research’* gepubliceerd, die de voorgenoemde bevindingen bevestigen.
De conclusies van de schrijver, Nicolas Colangelo, waren na 50 jaar onderzoek:
– versnellen is goed en effectief
– versnellen levert geen schade aan emotionele sociale ontwikkeling
– onderzoek kan zeer stevig gefundeerd aantonen maar vecht tegen de praktijk die het niet gaat
toepassen
– onderzoek en praktijk komen niet bij elkaar vanwege het systeem van onderwijs, sociaal en
emotioneel aspect en de politieke trend’ iedereen gelijk’
– angst voor het onbekende
– uit onderzoek blijkt de nummer 1 overtuiging/angst heel sterk is: we zijn bang dat er sociaal emotionele problemen ontstaan bij het kind.

Let op, dit rapport bestaat uit 2 delen! Download hier.
De informatie in Volume II vormt de basis voor de inhoud van Volume I

Conclusie:
In de praktijk blijkt er weinig reden tot zorg. Versnelling blijkt een praktische en productieve manier om deze kinderen passend onderwijs te geven en hun prestatiemotivatie te verhogen. Ook op sociaal-emotioneel gebied blijken de versnelde leerlingen goed te functioneren.
Wat van belang is dat er ingezet wordt op gestructureerde extra begeleiding gebaseerd op vertrouwen. De houding van de mentor en leerkrachten is daarbij ook van groot belang.
Erkennen dat deze kinderen ‘anders’ zijn en andere behoeftes hebben is daarvoor de basis, net zoals aandacht voor het hebben van een juist beeld over deze kinderen.
Aanpassing van het programma kan bestaan uit het variëren van de verrijking van de lesstof (zodat deze uitdagend is) tot – indien dit eerste niet afdoende blijkt – het aanbieden van een apart lesprogramma en/of individuele begeleiding.
Een investering van leerkrachten en scholen ten aanzien van kennis over deze doelgroep is een must. Tolerantie en extra ‘ruimte’ voor deze kinderen is daarbij ook een vereiste.

* Met dank aan Wijssein – Sonja Morbé voor de vertaling van de conclusies van A Nation Deceived: How Schools Hold Back America’s Brightest Students

Poster Ontwikkelingsvoorsprong

Download de gratis poster!

%d bloggers liken dit: